Historie van de Galamadammen

Omstreeks het jaar 1100 werd de naam Galama al genoemd. In de Spaanse tijd gaf de familie zich met hart en ziel aan het "Verbond der Edellieden", waardoor zij grote tegenstanders werden van Alva. In 1517 was Hartman Galesz Galama hier grietman. Sixtus Antonius Galama was de laatste uit de familie, hij stierf in 1757.

Tolheffing. De huidige eigenaren zijn nakomelingen van het uit Koudum afkomstige edele geslacht Galama en hebben hun bezit door vererving in handen gekregen. De Galama`s hebben in 1628 niet zomaar de rechten van dit rustieke kruispunt van wegen en water gekregen. De Staten van Friesland gaven de Galama`s en hun nakomelingen het recht op tolheffing als beloning voor de ontginning van de laaggelegen gronden. De tolheffing was een centenkwestie. Op een bord in de gelagkamer stond vermeld wat de overtocht voor voetgangers, vee, pramen, schepen en wagens moest kosten.

Afkoop van tolrecht. De toenmalige gemeente Hemeler-Oldeferd was niet zo blij met dit recht van tolheffing. De GalamaDammen lag midden in het gemeentelijke gebied, waardoor de gemeente zelf ook steeds tol moest betalen. Na een strijd van acht jaar met de grootvader van de huidige eigenaar werd het tolrecht in 1942 afgekocht. Daarmee kwam ook een eind aan de vier functies die de toemalige exploitant had. Hij was boer, tolgaarder, restaurant-hotelhouder en bediende als ambtenaar de brug.

De boerderij Galama Dammenstate. Er werd een boerderij Galama Dammenstate bijgebouwd, waar de vermoeide, verkilde reiziger kon rekenen op een goed vuur en waar steeds een vaartuig gereed lag voor het oversteken. Befaamd was het hotel-café bij GalamaDammen. Het was één van die herbergen die vrij geïsoleerd in het Friese landschap lagen. Deze pleisterplaats lag op een kruising van land- en waterwegen. Reeds in de zomer van 1785 hield de kastelein hier een ringrijderij voor fammen en feinten (meiden en knechten) op paarden, met als hoofdprijs een gouden ring en een zilveren mes, om volk te trekken. In latere tijden werd de uitspanning door sportvissers en badgasten en uiteraard door schippers van of naar Stavoren bezocht die een verfrissing of iets hartigers gebruikten. Tijdens ijswinters was deze herberg als "in plak op `e romte" een geliefd doel van schaatsers.

Wandelaars en Galamadammen. De GalamaDammen vormden ook een geliefd rustpunt voor wandelaars. Vroeger zeiden de Koudumers "Wij gaan de Dammen even om". De uitspraak van de naam van de toeristische plek heeft altijd al voor verwarring gezorgd. Mr. Jacob van Lennep schreef er in 1836 al over in zijn boek "De Roos van Dekama". In dit boek wordt het relaas beschreven van twee studenten van de Leidsche Hoogeschool die in die tijd met eigen ogen van nabij de gewesten van Noord Nederland wilden leren kennen.

Uitbreiding van de herberg. Toen de herberg plaats maakte voor een paviljoentje, kocht de toenmalige exploitant de boerderij er tegenover erbij om paarden te kunnen houden. In die tijd was lang niet iedereen welkom, de clientèle werd erg afgeschermd waardoor het betere publiek uit heel Nederland binnen de muren kwamen. Bekende strafpleiters, schrijvers en doktoren brachten graag een paar dagen door in de herberg. Het zwemmen in de Morra achtten zij gezond, om maar niet te spreken van de melk die natuurlijk vers van de koe uit de boerderij kwam. Het was toen al dat men zich meer op de watersport ging richten. Zeilwedstrijden met aken werden georganiseerd, waarbij de prijsuitreiking steevast in het badpaviljoen werd gehouden. Ook het badpaviljoen is mettertijd verdwenen, waarbij ook de steigers, badhokjes en de zwemplaats de Morra zijn verwijderd.